Uitvaartgedichten

Uitvaart teksten en gedichten algemeen 

Een uitvaartgedicht kan zoveel meer zeggen dan een levensverhaal of een persoonlijke noot. Gek hé? Gedichten zijn er om goed over na te denken en met weinig woorden toch zoveel mogelijk te zeggen. Bekijk de gedichten hieronder, lees ze goed door. Misschien zit er wat voor je tussen.

1. Stil worden om jou te herinneren

Stil word ik in mijzelf Jou wil ik voelen in mij. Ik hoor nauwelijks het geschuifel van de voeten. Mensen zijn gekomen. Van alle kanten. Verbonden met jou waren ze. Stiller word ik in mijzelf. Verdoofd ben ik nog. Niet te zeggen hoe ik mij voel. Alles zo vreemd. Ben ik dit wel zelf? Zal het morgen niet gewoon een andere dag zijn? Alsof er niets gebeurde? Zo anders stil wordt het in mij. Jou herinner ik mij. Jouw gezicht voor mij. Je zou nog zo een woord kunnen spreken. Zo anders stil word ik nu. Jouw naam klinkt. Een kaars wordt ontstoken. Jouw licht in mij. Jouw licht voor mij. Jou wil ik mij te binnenbrengen. Zo stil wordt het nu…..

2. Handen

Zolang er handen zijn handen die willen geven zolang voelt de mens zich veilig geborgen bij de ander Zolang er handen antwoorden op uitgestoken, vragende handen zolang blijft de mens hopen verlangen naar uitkomst. Zolang er handen zijn handen die laten voelen dat er nog leven in je is zolang mag je niet wanhopen. Zolang er handen zijn handen die je brengen via mensen naar de “Grote hand” zolang zal Hij je vasthouden.

3. Eeuwig leven voor jou

Ze zeggen dat je gestorven bent, en dat is ook zo. Je handen hebben de onze en de dingen om je heen losgelaten. Je kijkt niet meer door het raam naar het weer van vandaag. Je luistert niet langer als er ergens een deur opengaat  en je zegt niet meer: Kom binnen.  Je zegt de woorden niet meer, die je vroeger zei. Het is stil geworden om je heen. Maar toch horen wij je nog spreken en zien wij  met gesloten ogen wat je deed,  toen je nog gaande en staande bij ons was. Nee, je zou pas echt dood zijn als wij je konden vergeten  en als je, weggewist uit ons geheugen, ons niet meer  bij zou staan met raad en daad van toen.  Dat doe je dus nog als we over jou verhalen vertellen:  hoe je het leven zag en de mensen  en wat je zou doen als je voor de vragen stond  waar wij voor komen te staan.  Nee, alles is nog niet voorbij.  Je leeft nog in onze verhalen over jou.  Onze handen kunnen je niet meer vasthouden,  maar wel onze woorden en de ogen van ons hart.  En daar zul je leven tot eens alles is volbracht  in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.  Want als je van iemand houdt, dan laat je die mens eeuwig leven. 

4. Een nieuw begin

De dood is een steen die rollen kan, een pad door de zee voor alleman, een nacht met een morgen in ’t verschiet een nieuw begin, een ander lied. Een afscheid voor eeuwig zo zeggen de meesten, een avond, maar zonder een morgen op til. Maar zingend staan wij rond ’n graf want we weten dat God niet de doden maar levenden wil. Geen nacht als een ijskoude steen op je lichaam, geen tolgeld aan ’t ijzeren noodlot betaald, want God zal als morgenlicht over je opgaan: een heden dat niet meer naar gisteren taalt. De dood is een steen die rollen kan, een pad door de zee voor alleman, een nacht met een morgen in ’t verschiet, een nieuw begin, een ander lied.

5. Tot aan de poort 

Tot aan de poort heb ik je vergezeld, jij ging naar binnen; ik bleef buiten staan. Ik keek je na, verbijsterd en ontsteld, en tastend ben ik hier mijn weg gegaan. De wereld was te groot voor mij alleen, en alles wankelde, elk woord deed pijn. En daar waar gisteren de zon nog scheen hing nu een ondoordringbaar mistgordijn. Een golf van wanhoop stormde op mij aan, maar willoos ging ik verder, moe en mat; en in een zee van leed was ik vergaan als God mijn handen niet had gegrepen.

6. De brug

Breng jij mij weg tot aan de brug Ik ben zo bang om daar alleen te staan. Als je daar bent, ga niet direct terug maar wacht totdat ik overga en zwaai me na, dan voel ik mij heel veilig en vertrouwd. Breng jij mij weg tot aan de brug. Ik heb geen idee hoe diep het water is. De overkant lijkt mij zo ver. Je kunt de oever hier niet zien zover het oog reikt, zie ik mist. Ik twijfel aan het verder gaan. De angst voor de dood is  als je angst voor het leven. Het nieuwe lijkt te groot om het oude op te geven. In de diepte van je verlangen  ligt de kennis van het nieuwe leven, zoals een vlinder al weet van vliegen in zijn donkere cocon. Breng jij mij weg tot aan de brug, en ga dan niet te vlug terug. Zwaai jij mij na als ik er over ga. Een heel klein duwtje in mijn rug is alles wat ik nog verlang van jou. Dank voor je liefde en je trouw. Ik ga nu gauw, want het begin is reeds in zicht. Ik voel de warmte van een licht….

7. Zoek niet naar het graf

Zoek niet naar mijn graf. Vraag me niet wie ik ben. En of je me hebt gekend. De idealen die ik had blijven ook zonder mij bestaan. Ik ben dood, maar leef voort in de idealen die ik had. En de anderen die blijven strijden zullen nieuwe rozen doen bloeien. Wanneer je daar over spreekt spreek je over mij. Zoek niet naar mijn graf want je zult het niet vinden. Mijn handen zijn nu de handen van anderen die strijden. Mijn stem roept in andere stemmen. Mijn droom leeft voort bij anderen. En weet dat ik pas sterf als jullie de moed opgeven. Want ieder die in de strijd valt leeft voort in zijn kameraden.

8. Leven geven

Leven geven is uitzicht schenken en uitzicht zijn, uitnodiging en antwoord, woord en inhoud bieden. Ja zeggen en nog veel meer, geloven, hopen en vertrouwen. Leven geven is dankbaar zijn om wat warmte geeft, de wereld, de mensen, zon en maan en zoveel meer daarbuiten. Leven geven is elkaar ontmoeten in de warmte en diepte van het hart en geloven dat het niet zomaar is. Geloven dat je sterven moet om te leven, om levensadem en levenskracht te zijn. Leven geven is jezelf zijn in grenzeloze liefde, in volkomen overgave, in grote dankbaarheid.

9. Leven

Prijsgeven kwetsbaar durven zijn is een beetje sterven. Angst teleurstelling en verdriet is een beetje sterven. Meeleven mee-lijden met mensen in nood is een beetje sterven. Eenzaamheid temidden van velen is een beetje sterven. Geloven  als duisternis je omringt is een beetje sterven. Hopen blijven volharden is een beetje sterven. Liefhebben in de kracht van de Liefde is een beetje sterven. Bidden met vertrouwen (met volharding) is een beetje sterven. Vergeven hart en hand tot verzoening reiken is een beetje sterven. En steeds een beetje sterven aan jezelf…….is leven.

10. Voor een dag van morgen 

Wanneer ik morgen doodga vertel dan aan de bomen hoeveel ik van je hield. Vertel het aan de wind, die in de bomen klimt of uit de takken valt, hoeveel ik van je hield. Vertel het aan een kind, dat jong genoeg is om het te begrijpen. Vertel het aan een dier, misschien alleen door het aan te kijken. Vertel het aan de huizen van steen, vertel het aan de stad, hoe lief ik je had. Maar zeg het aan geen mens. Ze zouden je niet geloven. Ze zouden niet willen geloven dat alleen maar een man alleen maar een vrouw, dat een mens een mens zo liefhad als ik jou.

11. Als ik maar weet

Als ik maar weet dat in dit moeilijk leven ik met mijn zorgen nooit alleen zal staan. Dat al mijn schuld en zonde is vergeven en dat ik altijd naar U toe mag gaan. Als ik maar weet dat niets mij ooit zal scheiden van uwe trouw, en van Uw liefde Heer. Dat U mij zorgzaam aan Uw hand zult leiden opdat mij niet nodeloos bezeer. Als ik maar weet o Heer, dat in mijn zorgen, in mijn verdriet, mijn moeite en mijn pijn altijd Uw grote liefde ligt verborgen zodat ik ondanks alles blij kan zijn. Als ik maar weet dat in mijn laatste dagen, als ik misschien niet eens meer bidden kan, de Geest voor mij om hulp en steun zal vragen zodat ik rust zal hebben Heer … ook dan.

12. Angst en bevrijding

Te moeten sterven is een angst die in ons sluimert. Die wordt wakker bij de dood of het ongeval van anderen. We schuiven het sterven weg, ver van ons; het is voor iets later. En toch is sterven het enige waar we zeker van kunnen zijn, waar we onvermijdelijk naar toe leven. leven en dood horen bijeen, maar we hebben ze elk een eigen bestaan gegeven. Voor velen is de dood een eindpunt en geen rustpunt. Dood is ook bevrijding van tijd en ruimte, weg van de drukte, rust voor het lichaam. Het is een stilvallen van elke beweging, een verharden van je gevoel, een verliezen van je stem, een verkillen van je lach, het einde van je dromen. Laten we de dood niet langer doodzwijgen, maar leren ermee leven, wetend dat er een plaats is waar de doden leven.

13. De dood

Dood heeft vele gezichten. Een voor hem die sterft en een voor elk van hen  die achterblijven. Er is een milde dood die barmhartig is en goed. Er is een harde, wrede dood, die leegte achterlaat en pijn en tranen. Maar altijd is de dood barmhartig, mild of wreed voor hem die sterft en voor elk van hen die achterblijven een nieuw begin, ’n breekpunt, een keerpunt soms. Hij die sterft, laat alles alles achter. Ook het zijn, het spreken, het luisteren, het denken en vooral het liefhebben.  Alles laat hij achter. Hij vertrekt zo bezitloos als hij gekomen is. Maar de leegte, waarmee hij kwam is – zo bidden we hoopvol – gevuld met tenminste de zwaarte van zijn goede wil. Zij die achterblijven, verloren een mens, een unieke mens, die om de geest in hem – de geest, waardoor hij sprak en dacht en kon beminnen, blijft leven in anderen. Wie in de geest gelooft leeft, al gaat zijn lichaam ten onder. En wie zo leeft, in en door de geest, sterft nooit, nooit, omdat de geest onverwoestbaar is, onsterfelijk, dat is: EEUWIG.

14. Thuiskomst

Je bént niet dood – de Heer heeft je geroepen Bij Hem te wonen in zijn glanzend huis; Je hoeft geen rust en vrede meer te zóeken, Je hébt ze nu – want je bent veilig thuis. Je bent niet dood – je mag voor eeuwig leven, Je bent verlost van onvolkomenheid, Van pijn en van verdriet, God zal je geven Een onbegrensd geluk in onbegrensde tijd. Je bent niet dood – maar ach, we zullen je missen Zoals een mens de meest geliefde mist. De jaren van geluk zijn nooit meer uit te wissen, En wij geloven: God heeft zich niét vergist….

15. Het is niet voorbij

Als straks het rouwrumoer rondom jou is verstomd, de stoet voorbij is de schuifelende voeten, voel ik dat er een diepe stilte komt en in die stilte zal ik je opnieuw ontmoeten. En telkens weer zal ik je tegenkomen. We zeggen veel te gauw: het is voorbij. Hij heeft alleen je lichaam weggenomen niet wie je was en ook niet wat je zei. Ik zal nog altijd grapjes met je maken, we zullen samen door het stille landschap gaan. Nu je mijn handen niet meer aan kunt raken raak je mijn hart nog duidelijker aan.

16. Nu ik moet gaan

Nog zoveel bleef ongelezen, nog zoveel bladzijden ongeschreven, nog zoveel is ongedaan, nu al moet ik gaan. Nog zoveel verwachtte ik de toekomst straalde me aan. Als een bloem die steeds meer openbloeit, zo voel ik mij nu ik al moet gaan. Nu alles is gezegd, woorden van afscheid zijn gesproken, goed is gemaakt wat scheef is gegaan, woorden van vergeving en verzoening zijn gezegd, nu is het goed nu ik moet gaan. Jullie dank ik om wie jullie waren. Bewaar mij in jullie hart. Leef je eigen weg in de geest van liefde en goedheid, nu ik moet gaan, naar waar jullie nog niet kunnen komen. Eens zullen we elkaar zien.

17. Afscheid van buiten

Eerst kon je niet meer alleen lopen. Je kwam met de stok die je horen kon buiten. Een hele stap. Toen was er een rolstoel nodig. Je wilde je niet laten buitensluiten. Je kwam nog eens de trap op. Om mij te bezoeken. Toen kwam je nog maar kort buiten. Buiten gedragen door de ambulancebroeders. Jij die zo’n buitenmens was. Jij die zo hield van buiten in de tuin. Je zat nog één keer in de zon. Je voelde het felle licht van die namiddagzon. Daarna had je nog die hoop, die wens. Je wilde nog één keer naar buiten. Je bracht het steeds weer ter sprake. We wilden wel, maar zagen dat het niet meer ging. Een laatste keer vroeg je het nog aan de dokter. Ook hij zag het niet meer. Toen wist je dat je niet meer buiten zou komen. Binnen, beperkt tot je ziekbed, nam je ook afscheid van buiten. Toen je weer naar buiten werd gedragen, was de zon wit en was alles zo stil. De stilte groette jou. Buiten nam afscheid van jou.

18. Krachtiger dan de dood

Het is nog niet te begrijpen: je stem niet meer te zullen horen, jou niet meer naast me te vinden, bij ’t wakker worden je gezicht niet meer te zullen zien. Het is nog niet te begrijpen: als anderen al weer doorleven, als bijna niemand nog je naam noemt, zal ik jouw stem nog horen in mij, zal ik naar je verlangen bij het wakker worden van mijn verdriet. Het is nog niet te begrijpen: afscheid van jou te moeten nemen, het klinkt zo koud en onherroepelijk, je zult altijd bij me blijven. Ik zal mijn verdriet niet koesteren, maar jou ’n warme plek blijven geven diep in mij. Jij was mijn geborgenheid mijn tegenwicht de intens levende de storm soms

maar ook de luwte geleefd heb je tot het einde toe en je leeft nog….

19. Huil niet om mij.

Huil niet om mij, ik heb mijn doel bereikt. Waar kan een gelovig mens tenslotte beter zijn en veiliger geborgen dan in die eeuwigheid van vrede, liefde, God? Huil niet om mij, mijn lijden is ten einde. Voor mij geen zorgen meer, geen angst en nooit meer pijn. Wil niet verdrietig zijn zoals soms mensen doen die weten van verlies maar vreemd zijn aan ’t gewin. Huil niet om mij, ik kreeg wat ik verlangde: de vrede, die uit God is, is mijn deel. Laat dat ’n troost zijn voor die achterblijven. Er komt een uur, waarop we allen verenigd zijn in God, de God die Liefde is.

20. A Dieu

Je bént niet dood, de Heer heeft je geroepen bij Hem te wonen in zijn glanzend huis; Je hoeft geen rust en vrede meer te zoeken, Je hébt ze nu – want je bent veilig thuis. Je bent niet dood – je mag voor eeuwig leven. Je bent verlost van onvolkomenheid, van pijn en van verdriet. God zal je geven een onbegrensd geluk in onbegrensde tijd – Je bent niet dood, – maar ach ik zal je missen zoals een mens de meest-geliefde mist. De jaren van geluk zijn nooit meer uit te wissen, en ik geloof: God heeft zich niét vergist ……

21. Wachten op de dood

De dood komt naderbij,  op kousevoeten stil staat hij aan je bed en wacht op een wenk; hij heeft de tijd jij bent nog niet zover. De dood is geen verschrikking, verlangend haast wens je hem dichterbij om uit de pijn en zwakte te kunnen vluchten naar een beter oord. Nog is de band aan ’t leven te sterk in jou; waarom nu al te sterven als er een mens nog is,

om lief te hebben. Je had zo graag nog wat tijd. Het is je niet gegeven, de dood staat daar en wenkt je toe: ga mee om gindse hoek wacht beter leven. En langzaam geef je toe: ’t wordt tijd om weg te gaan.

Wij zouden jou zo graag nog bij ons houden, zelfs tegen beter weten in; gaan mee zover we kunnen, het laatste stuk moet je alleen. Je laat je zacht omhelzen, bedankt voor alles hier, een laatste afscheidsgroet; je sluit nog eenmaal zelf de ogen heel zachtjes komt de dood en neemt je mee, voorgoed.

22. Vergeet de mooie dagen niet

Als de horizon zover je kunt kijken donker blijft, zonder een teken van licht, als je hart vol verdriet is en misschien vol bitterheid als schijnbaar alle hoop op nieuwe vreugde en geluk verdwenen is, eenzaamheid de toekomst lijkt zoek dan zorgvuldig in je herinnering ik vraag ’t je, naar de mooie dagen. De dagen dat alles goed was, geen wolkje aan de hemel de fijne gebeurtenissen, die je samen hebt kunnen delen. Laten die herinneringen de bron zijn voor de moeilijke tijd die komt. Vergeet de mooie dagen niet! Want als je die vergeet komen ze niet meer terug! Neem jezelf opnieuw in handen. Vul je hoofd met blijde gedachten, je hart met liefde en moed. Dan komt alles weer goed.

23. Indien ik je dragen kon

Indien ik je dragen kon  over de diepe grachten van je verdriet en je angsten heen dan droeg ik je, uren en dagen lang. Indien ik de woorden kende om antwoord te geven op je duizend vragen over leven, over dood, over liefhebben en gelukkig worden, dan praatte ik met je, uren en dagen lang.

Indien ik vrede in je hart kon planten door geduldig te wachten en te hopen tot het zaad van vrede in je openbrak, dan wachtte ik, uren en dagen lang. Indien ik genezen kon wat omgaat in je hart aan onmacht, opstandigheid en groot verdriet dan bleef ik naast je staan, uren en dagen lang. Maar ik ben niet groter, niet sterker dan jij en ik weet niet alles en ik kan niet zoveel, ik ben maar een vriend op je weg, al uren en dagen lang. En ik kan alleen maar hopen dat je dit weet: je hoeft niet alleen te vechten of te huilen als je een vriend hebt voor uren en dagen lang.

24. Lieg niet

Lieg alsjeblieft niet tegen me niet over iets groots  niet over iets anders.  Liever hoor ik het vernietigendste  dan dat je liegt want dat is nog vernietigender. Lieg niet over liefde iets dat je voelt of  iets dat je zou willen voelen.  Liever word ik bedroefd  dan dat je liegt want dat is nog bedroevender. Lieg niet tegen me over gevaar want ik voel toch je angst en wat ik gewaar word is waar of ik ken je niet  en dat is nog gevaarlijker. Lieg niet tegen me over ziekte liever kijk ik de diepte in dan dat ik mij verlies in één van jouw lieve verzinsels want daarmee verlies ik me dieper. Lieg niet tegen me over sterven want zo lang we er nog zijn vind ik dat toegangsloze  niet mededelen wat je denkt erger en zoveel doder.

25. Goed zijn

Het is zo eenvoudig goed te zijn je hoeft slechts te beminnen en je kunt ieder dag opnieuw van vooraf aan beginnen Het is zo eenvoudig goed te zijn je hoeft niet veel te denken een glimlach en een vriendelijk woord kun je een ieder schenken. Het is zo eenvoudig goed te zijn zonder het zelf te weten leer je onmerkbaar het eigen leed om anderen te vergeten. Een stille blik is soms genoeg om je hart te winnen. Het is zo eenvoudig goed te zijn want: goed zijn is beminnen. Een weinig ootmoed, wat geduld zwijgen als je wilt klagen. Het is zo eenvoudig en je zult het leven beter dragen. De ziel is als het kinderhart: eenvoudig en ontvankelijk. Ook voor het somberste gemoed maakt goedheid je toegankelijk. Het is zo eenvoudig goed te zijn en het kost je toch zo weinig. Mijn geliefden, wees goed voor anderen wees goed – en je gaat veilig.

26. Afscheid nemen

Afscheid nemen  is met zachte vingers  wat voorbij is, dichtdoen en verpakken in goede gedachten der herinnering Afscheid nemen is verwijlen bij een brok van het leven en stilstaan op de pieken van pijn en vreugde. Afscheid nemen is met dankbare handen weemoedig meedragen al wat waard is niet te vergeten…. Afscheid nemen is moeizaam de draden losmaken en uit het spinrag der belevenissen loskomen en achterlaten en niet kunnen vergeten. Afscheid nemen is het moeilijkste in het leven…. Men leert het nooit.

27. Onvergetelijk 

Jij bent onvergetelijk geworden in mijn leven. Jij zult altijd in mijn gedachten zijn. Ik zal nog van je dromen en je stem nog horen. Ik kan niet begrijpen dat jij weg bent, voorgoed. Jij bent onvergetelijk geworden in mijn leven Jij zult altijd met mij meegaan op de levensweg. Ik zal altijd heimwee naar je hebben. Ik had je langer willen vasthouden. Ik had je nog zoveel willen vragen. Jij blijft een litteken in mijn bestaan. Jij blijft een teken van liefde in mijn leven. Jou gedenkend zal ik groeien en krachtig worden. Ik zal vol levensmoed verder gaan. Jij onzichtbaar bij mij.

28. Luisteren

Wie als een luisterend oor kan zijn wie de moed kan opbrengen om naar een wanhopige mens te luisteren…… Wie een hand kan zijn een warme, menselijke hand vol liefde wie die hand wil gebruiken om een eenzaam en droevig mens te geleiden ….. Wie een voet wil zijn een voet die het aandurft om naar de ander te gaan een andere mens, die het niet meer ziet zitten Wie als een licht wil zijn wie als het licht van een kaars wil zijn voor en mens die het niet meer kan zien. Die kan misschien een troost zijn voor ieder die een verlies heeft geleden. Ik spreek dan ook de hoop uit dat iedereen zijn of haar best zal doen een lichtpuntje te zijn voor een verdrietige medemens.

29. Een witte roos

Adem houdt op, warmte wordt kilte diepe kilte als van dood en lachen wordt stilte, echo van vragen dat geen antwoord vindt. Maar een mensennaam kan niet vergaan, niet verzinken in oneindig niets. Jouw naam heeft klank en toon gezet

van hoe de jouwen verdergaan. In gemis, maar ook in vertrouwen dat leven léven wordt,  gevochten en geknokt, geliefd en gelachen. Zo wordt jouw naam een witte roos aan ons hart, bloeiend voor altijd, geurig en welriekend, maar ook doornig stekend, want jij bent er niet als wij jou roepen; en ons zoeken zal nooit vinden worden, geen samen lachen en geen raken meer. Maar in de stilte zul jij bloeien aan ons hart als schitterende herinnering, levend, tegen alle weerwil in. Nee, vergeten zullen wij jou niet. Wees gerust, rust maar zacht rust in vrede

30. Ze kunnen niet weten

Toen jij stierf is de wereld  gewoon doorgegaan met draaien. Het werd nacht en ook weer morgen. Er was lawaai en stilte en ook om ons heen  maakte het leven – van – alledag  evenveel lawaai als anders. Alleen, bij ons kwam dat  harder aan dan normaal. Wat deed het pijn te zien en te horen dat alles gewoon doorging toen jij gestorven was. Wreed en onverschillig, genadeloos en barmhartig was het en elke indruk stak dieper, deed meer pijn. Nee, ze kunnen niet weten wat wij nu voelen: die steken pijn van afgesneden – zijn en nooit meer samen … Ach, niets zal meer hetzelfde zijn zonder jou.

31. ´t Lest van ´t zommer

A’j now boet’n um ow hen kiekt, Op ’t laand, in ’t veeld en langs de wei, dan is ’t amaol weer zo aanders As in ’t veurjaor, umstreeks Mei. ’t Greun is lange nich zo fris meer. ’n Eerst’n fleur is d’er of. Hier en daor wodt ’t spul a zoorder. De bal zit oonder ’n griez’n stof. De rogge is a van ’n kaamp of. Weenterknoll’n bint weer zèèit. Dee de leste haver mèèit. ’t Wodt ook a weer vrooger duuster; De veugel zingt nich völle meer;

De zwaluwe smiet zich al an koppels; Dee vetrekt wa gauw ’n keer. En dan is ’t weer oet met ’t zommer. ’t Is toch meer nen kott’n tied. Al wat mooi is in ow lèèv’n bi’j vaak al te gauw weer kwiet.

32. Levensboom

Als je aan een boom zou vragen; hé boom, sta jij nou graag alleen? Dan zou hij, denk ik, zeggen: geef mij maar boompjes om me heen. Zou je aan vader vragen: hé vader, sta je graag alleen? Dan zou hij, denk ik, zeggen: geef mij maar mensen om mij heen. Als je aan een boom zou vragen: aan wie geef jij het leven door? Dan zou hij, denk ik, zeggen: daar heb ik nou mijn takken voor. Zou je aan je moeder vragen aan wie geef jij het leven door? Dan zou ze, denk ik, zeggen: ja kijk daar heb ik jou nou voor. Zou je aan oma vragen: jouw leven, waar komt dat vandaan? Dan zou ze, denk ik, zeggen: van oma’s die niet meer bestaan. Dus bomen zijn als mensen: geen van twee staat graag alleen; in kinderen en in takken, zo groeit er leven om je heen Jij, je vader en je moeder dat is een soort van levensboom; die tak een eindje verder, dat is een tante of een oom. Maar die opa’s en die oma’s  die jaren terug gestorven zijn? Ja kijk, ik zal maar zeggen, dat zullen wel de wortels zijn.

33. Ik liep over het strand

Vannacht droomde ik dat ik met God over het strand liep.  Tegen de lucht tekenden zich taferelen uit mijn leven af. Het viel mij op dat bij elk tafereel twee paar voetstappen in het zand stonden,  het ene paar van mij, het andere paar van God.  Toen het laatste tafereel van mijn leven oplichtte, keek ik achterom.  Het viel me op dat dikwijls op mijn levenspad maar één paar voetstappen te zien was,  en wel precies op de meest dorre en trieste momenten van mijn leven.  Ik wendde mij tot God en verweet Hem:  “U hebt gezegd dat U altijd met mij mee zou lopen…. Ik begrijp niet waarom U mij in tijden, dat ik U het meest nodig had, in de steek hebt gelaten”! 

Toen antwoordde God mij;  “Mijn dierbaar kind, ik zou je nooit in de steek laten in tijden van lijden en beproeving. Bedenk dat je dáár waar je maar één paar voetstappen ziet, door Mij werd gedragen.”

34. Mensen bestaan voor mensen

Mensen bestaan voor mensen,  en het vertrek van de een roept het gemis voor de ander op. En huilen is net zo menselijk als de dood menselijk is en een consequentie van het leven. Waar leven is is dood waar bloei is is verval en waar de lente aangloeit wacht reeds de herfst. Bestaan betekent ook: er eens niet meer zijn. Dat weten we, dat wisten we, maar nu de dood heeft toegeslagen valt die erkenning zwaar, zwaarder dan ooit in theorie. ’t Lijkt onaanvaardbaar, oneerlijk, niet menselijk. En onze tranen zijn ons verzet, ons enige verzet, dat we verdriet noemen. Je kunt tranen niet wegnemen, niet blijvend drogen met dat goedbedoelde, telkens weer herhaalde: ”t leven gaat door’ of ‘je moet er mee leren leven’. O ja, best bedoeld, dat wel, maar is er niet méér, niets anders, niets beters te zeggen? Laat ons dat in dit samenzijn tenminste proberen.

35. Het geheim van leven en dood

Het diepste geheim, dat elke mens in zijn greep houdt, is het ‘er-zijn’ en het ‘er-niet-meerzijn’, begin en einde, leven en dood. Het begin overkomt je, onbewust, maar door het einde moet je heen, vroeg of laat, gelaten of opstandig, gelovig of ongelovig. De grens is er en je kunt haar wel vervagen, maar niet ontwijken. Je ziet de einder liever niet, ofschoon hij steeds duidelijker opdaagt. Het kan ook anders: de einder steeds in je blikveld houden, zoals Jezus Christus dat deed. Hij spreekt er telkens over, bij allerlei gelegenheden, op een onverwachte manier. Hij geeft de woorden ‘leven’ en ‘dood’ immers een inhoud,  tegengesteld aan wat wij er onder verstaan. Wat wij ‘leven’ noemen, noemt Hij ‘dood’. En wat voor ons ‘dood’ heet, is voor Hem ‘leven’. De gelovige mens moet dit spraakgebruik van Jezus overnemen.  Durven leven met de dood voor ogen, is het leven in de ogen kijken,  zoals het in Jezus van Nazareth is opgebloeid. Voor wie gelooft, betekent de dood aanvaarden:  Binnentreden in het leven. Voor Hem is doodgaan:  Gaan leven voor eeuwig. Slechts op deze manier kunnen wij het aanvaarden, als dierbaren ons ontvallen. Zij hebben niet het leven verwisseld met de dood, maar de dood met het leven. Zij zijn door de donkere poort van de dood heengegaan aan de hand van Jezus,  om aan de andere kant te ontdekken, dat daar een leven is zonder einde,  zonder verdriet en tranen, met enkel vrede en vreugde.

36. De leegte

Als je van iemand houdt en je bent van hem/haar gescheiden, kan niets de leegte van zijn/haar afwezigheid vullen, je moet dat niet proberen, je moet eenvoudig aanvaarden en volharden. Dat klinkt hard, maar het is een grote troost, want zolang de leegte blijft, blijf je aldoor met elkaar verbonden. Het is fout te zeggen: “God vult die leegte”;  Hij vult haar helemaal niet, integendeel. Hij houdt die leegte leeg en helpt ons zo de vroegere gemeenschap met elkaar te bewaren, zij het dan in pijn. Hoe mooier en rijker de herinneringen, des te moeilijker de scheiding. Maar dankbaarheid verandert de pijn van herinnering in stille vreugde. De mooie dingen van vroeger zijn geen doorn in het vlees, maar een kostbaar geschenk dat je meedraagt. Je moet zorgen dat je niet in je herinneringen blijft graven en je erin verliest, een kostbaar geschenk bekijk je niet aldoor, maar alleen op bijzondere ogenblikken. Buiten die ogenblikken is het een verborgen schat, een veilig bezit: dan wordt het verleden een blijvende bron van vreugde en van kracht.

37. De boot

Die dag vertrok weer een boot uit de haven. Waarheen? Dat wist men ongeveer wel. Wat men mee zou maken…… wist niemand. Hoe zou de zee zijn? Kalm of stormachtig, zou men andere boten zien? En de wind? Zat ie in de zeilen? Zou het dobberen worden of zou de boot zich krachtig verplaatsen van land naar land? Er zal zoveel spelen. Niemand weet wat, niemand weet hoe hard het worden kan, niemand weet hoe mooi, niemand weet. We kunnen alleen vertrouwen geloven in onze boot, geloven in zijn opvarenden, geloven en vertrouwen in elkaar en weten dat liefde een goede wind kan zijn over woelige baren.

38. De parabel van de panfluit

Er was eens een boom, een onbekende boom, ergens langs de waterkant, geplant door niemand weet nog wie. Hij leefde daar breeduit, met veel takken. Hij droeg de forse stem van de wind, of de doodse stilte van de avondlucht. ‘s Winters was het leven kaal en zwiepend in de harde wind, en met zijn twijgen als toegeklemde vuisten, vol nieuwe beloften, stond hij daar te wachten, tot het weer lente werd. Ga je gang, knipoogde dan de voorjaarszon, en dan kwam hij weer aan zijn oude, groene uitbundigheid, zijn takken liepen weer uit en

schoten bloesem uit ingehouden leven. Het was een lust voor de ogen! En als dan de zomer kwam, maakte die boom een donkere hand gevuld met schaduw, gratis voor iedereen, en soms een paraplu tegen stromende regen. Zo leefde de boom met al zijn takken, jaar in jaar uit, zijn krachten verbergend en weer ontplooiend, op en neer in telkens vier seizoenen. Maar …. op zekere dag kwam er een mens, iemand gewapend met een kapmes. De takken hielden van louter schrik het ruisen in. Er was geen ontkomen meer aan: de mooiste tak werd afgesneden en meegenomen naar het huis van die mens, een dode tak, voorgoed uit het leven weggesneden, weggevallen uit de schaduw met velen, onopvallend en straks natuurlijk stomweg vergeten. Wat betekent immers een tak aan en hele boom? Drie dagen later was de mens opeens weer terug, en de boom stond windstil van doodsangst met al zijn takken: wat treft het lot vandaag?? Maar kijk, de mens ging zitten, aan de voet van de boom, en… hij blies op de afgesneden tak, die hij panfluit noemde. Hij speelde een lied en de boom verstond het zo:  Horen jullie mij? Ik leef, ik zing, ik fluit!

39. Het verhaal van de rode roos

Het begon klein en eenvoudig, maar het groeide, die kleine rode roos. Degenen aan wie de zorg voor deze roos was opgedragen, hebben deze nieuwe scheut omgeven met toewijding en liefde, tot deze roos zelf sterk genoeg was. Soms kwam de Heer van de tuin kijken naar het werk van zijn bemoeienis en hij ging met zorg te werk; hij gaf ze water en mest en sommige bloemen, die extra zorg nodig hadden, plukte hij zelf. De mooie rode roos kwam verder tot bloei en werd een juweel. De roos had oog voor andere soortgenoten en overwoekerde ze niet en verdrong de andere planten niet. Op een gegeven ogenblikken raakten zijn doornen verstrikt in die van een andere roos, een witte. Uit hun samenbloeien ontstonden nieuwe scheuten, die ze met liefde omringden. Dit kleine rozenbed stond gewend naar de zon en zorgde voor geur en pracht in de tuin van de Heer. De Heer zag en was tevreden.  Maar na verloop van jaren nam de kleur van de roos af. Ze verloor aan kracht. De heer zette zijn beste tuinlieden in en de roos leefde op. De witte en de kleine rozen beschutten de rode roos. Zo kreeg de rode roos weer geur en fleur. En toch verwelkte rode roos beetje bij beetje. Het water en de kunstmest hielpen nog weinig meer. Toen is vier dagen geleden, de Heer van de tuin weer gekomen. Heel stil heeft hij in de morgen de roos geplukt, vlug en zonder pijn te doen. De andere rozen waren bedroefd en zeiden: “och Heer waarom?” En de Heer zei: “Het is goed zo, ik heb zelf de zorg voor deze mooie roos ter hand genomen. Ik zal er zelf voor zorgen.”

40. Gebed voor een gestorvene

Jij, die leeft in het licht, ik weet: je dood was een geboorte. Jouw leven was voltooid, je had geleerd wat je hier leren moest  en daarom ging je heen, terug  naar het stralende licht vanwaar je eens gekomen was.  Jouw dood: een geboorte in het licht. Ik zend jou al mijn liefde,  ik denk aan jou hoe mooi, hoe lief je wel kon zijn. Voel mijn dankbaarheid om alles wat je mij gegeven hebt.  Ik weet: je bent gelukkig, daar, je wordt er lichtend licht. Moge God je zegenen op jouw weg! En straks, dan zie ik je terug, als jij me opwacht bij de grens.  Want liefde is sterker dan de dood,  blijft ons verbinden, nu en straks.  Dat God jou in zijn liefde bergt !

Teksten en gedichten vader    

41. Vader  Al jouw liefde, lieve vader  gaf je aan ons allemaal.  Nu is hier de plaats die je had heel erg leeg, zo dor en kaal.  Maar voor jou is er daarboven   een bloementuin met wondere pracht.  Daar mag je nu in gaan rusten  want jouw taak hier is volbracht.     

42. Eer  Zijn wortels zijn nu doorgesneden.  Zijn leven is voorbij.  Hij heeft zijn kaarsje doorgegeven.  De taak is nu aan mij.    Zijn wortels zijn nu doorgesneden.  Mijn vader is niet meer.  Doch in zijn warmte voort te mogen leven,  is voor mij een grote eer.    

43. Nagedachtenis aan mijn vader  Van mijn vader leerde ik kijken  naar de nerven van een blad,  naar dierensporen op het veld  en naar reacties op gezichten.    En luisterend naar hem  leerde ik woorden spreken maar  ook horen wat er bij anderen  uit de gezwegen woorden sprak.    En, verder kijkend dan werd toegestaan,  zag ik zijn wens naar intens leven,  ook zich door mij geliefd te voelen,  mij groeien zien door mijn gebaren,  ook de kleinste juist te schatten.    Want groot wou hij mij weten  in – nooit belastend – wuiven  als was ik altijd blij wat ik,  door wat ik van hém leerde,  gelukkig heel vaak ben.    

44. Vader  Wat vreemd, dat u er niet zult wezen  wanneer ik weer naar huis zal gaan. U zult niet in kamer staan  en mij omhelzen, als vóór dezen. ‘k Zal nooit meer, als u zat te slapen  boven een boek, boven een krant,  het blad, dat glipte uit uw hand  glimlachend van de grond oprapen.    ‘k Zal nooit uw “goede nacht” meer horen,  of het gestommel op de trap,  wanneer uw zo bekende stap  de morgenstilte kwam verstoren.    Nooit zult u door de tuin meer lopen,  waar iedre bloem en iedre plant  getuigde van uw zorgende hand.  – Nu ging de hemeltuin u open. –    O, die vertrouwde, kleine dingen,  die u zo onopvallend deed,  die zal ik missen, tot dit leed  verstild is tot herinneringen.    

45. Als je je vader verliest.  Als je je vader verliest aan de dood,   je vader op wie je kon rekenen, bij wie je veilig was   en die zich in jou interesseerde,   je vader, met wie je praten kon,   om zo je eigen weg te vinden.    Als je je vader verliest aan de dood,   dan kan bijna niemand zeggen hoe dat voor je is,   hoe leeg het in jezelf kan zijn.    Als je je vader verliest aan de dood,   zou je hem nog even willen spreken,   hem willen zeggen hoe het met je gaat,   hoe je hem mist.    Als je je vader verliest, verlies je veiligheid en houvast.  Je wereld is niet meer als voorheen.

Teksten en gedichten moeder  

46. Moeder  De milde moederhanden over het wijze hart gevouwen,  ogen voorgoed geloken in het stil gezicht, rust zij nu vredig,  en in tijdloos schouwen vergleed zij door de dood  naar ” ’t Eeuwig Licht”.  We zien haar nog eens aan, en kunnen niet vergeten,  hoe zij ons vormde, voedde, troostte en genas.  Doorheen het zwaar verdriet  rijpt traag het teder weten  hoe zonder-grenzen-goed, hoe gaaf zij “MOEDER” was.    En stervend was zij nog gelovend in het Leven,  was zij de warme ster, die ons is voorgegaan.

 Wat z’ons, haar kinderen schonk, mogen wij het verder geven,  in liefde, schoon en mild, zoals MOEDER heeft gedaan.    Zoals MOEDER op de HEER ons hoog vertrouwen stellen.  Hem om zijn goedheid loven, ook in leed,  in duizend daagse dingen, niet te tellen,  Hem dienen, nederig, trouw,  zoals MOEDER heeft gedaan.    

47. Moeder  Moeder, je hebt veel moeten lijden,  het was soms niet om aan te zien;  dan bad ik God, je te bevrijden,  genadig naar je om te zien.  En nu Hij je heeft weggenomen ben ik pas weer tot rust gekomen.    Je lichaam is zo smal geworden  dat ik er al je pijn uit las;  ’t is als bij de bloemen die verdorden:  een schaduw van wat eenmaal was.  De dood heeft alles weggenomen  waardoor ik je nabij kon komen.    Ik kus nog eens je koude wangen,  ik streel nog eens je koude hand –  Dag moeder – God zal je ontvangen  daar waar geen pijn je kracht verbrandt;  want Hij heeft alles weggenomen  wat tussen jou en Hem wou komen.      

48. Moeder Je handen reiken overal tijd kon je niet beletten om als een werktuig in God’s hand met vast geloof bergen te verzetten.   Je was een moeder in kwadraat, schiep steeds een hechte band. Met al je liefde gaf je ons een onbekommerd moederland.   Je bestaan was sober en zorgbarend, een strijd voor eigen bloed. Dit overpeinzend zegt mijn hart: Je hebt het leven nog te goed.    

49. Dag, lieve ma  Dag, lieve ma!  We vergeten je nooit.  Je was veel te uniek om zomaar te vergeten   en dat we je missen zul je zeker wel weten.  Misschien dat we ooit elkaar weer ontmoeten.  Jij gaat nu alleen op reis en wij moeten jouw groeten.  Het doet ons zo groot verdriet dat jij nu moet gaan.    Wij wensen je toe dat je opnieuw zult bestaan   in een droomland waar wij ooit weer samenkomen   en waar mensen nooit meer dood hoeven te gaan.

Teksten en gedichten bij dementie     

50. Lege geest  De ziekte heeft hem weggenomen  Weg van zijn familie  Weg van zijn vrienden  Weg van mij!  Zijn geest is weggenomen    Mijn liefde voor hem is niet verdwenen  maar veel van wat we samen deden wel.    Als ik naar hem keek  zag ik dezelfde man als altijd  Maar als ik beter keek, in zijn gedachten  zag ik een andere mens  die zich niets herinnerde  van alles wat ik nog wist.    Misschien dat hij het niet begreep  en misschien dat hij het niet meer wist  dus dacht ik dat ik hem maar  moest helpen herinneren.  Ik hou van je opa,  Ik hou van je.  

51. Opa en zijn paarden  Opa vertelde me over zijn paarden  Die hij niet kon vinden  En ik gniffelde omdat zijn verhalen  Zo vaak hetzelfde waren.    Opa is door onze vingers geglipt  Hij ging zijn eigen weg  En plots was hij verdwenen  Op die koude, eenzame dag.    Opa, vind je paarden  En rijd maar ver weg  Naar een plek waar je rust vindt  Heel de nacht en de dag    Vind je paarden, opa  En houd de teugels strak  En houd een plaatsje vrij voor mij  Naast jou, waar ik thuishoor.

  52. Liefde en vriendschap  Ze zeggen: ‘zij is gelukkig’  ‘ze heeft er geen weet van’  ze leeft in een eigen wereld’    Ik weet niet welke dag het is.  Wat er gebeurt ontgaat me.  Ik word omringd door vreemden  Zijn het mijn dochters of mijn zoons?  Waar is mijn man toch?    Ik moet de aardappels schillen  Ik roep de kinderen  ze antwoorden niet…  Waar zijn ze toch  De deuren zijn gesloten.    Ze zeggen: ‘komt u maar bij ons’  Vreemde stemmen omringen mij.  Waar is mijn eigen huis?    Ze zeggen: ‘ze is toch gelukkig’  ‘ze heeft er geen weet van’  ‘ze leeft in eigen wereld’    Maar soms is er een man, een vrouw, een meisje.  Ze legt een arm om mijn schouder  Ze geeft me een zoen zomaar….  ze omhelst me ….  Ik voel warmte en genegenheid.  Vriendschap.    Sommige dingen raken een mens dieper,  dan besef en tijd.  Ze zijn nauwelijks onder woorden te brengen.  Ze heten: LIEFDE EN VRIENDSCHAP

 

Teksten en gedichten bij een jongere    

53. Bij een jong iemand  ’n Mens heeft niet veel jaren nodig  om iemand te worden, iemand te zijn,  betekenisvol voor anderen, onvergetelijk.  ’n Mens heeft niet veel jaren nodig  om gemist te worden, node gemist.    Drie jaren zijn het geweest, zesendertig maanden,  ruim duizend dagen, waarin Hij openbaar leefde,  die Jezus van Nazareth.  Drie jaar, drieëndertig jaar in totaal,  waren voldoende om deze jonge mens,   deze jonge man eeuwenlang en nog steeds  te doen leven in harten van tientallen generaties   en miljarden mensen.    Wat was er dan zo wonderlijk,  zo uitzonderlijk aan deze mens,  deze medemens, die Jezus van Nazareth heette?  Het antwoord is even simpel  als onbegrijpelijk.  Hij was Liefde.  Hij leefde uit en van en naar de Liefde.  En dat is, zegt Sint-Jan, God.    

54. Verder leven in ons   …. nog zoveel wegen lagen voor je open die je niet meer in kunt slaan.   Nog zoveel toekomstdromen lijken onvervuld.     Of hoop je nu dat wij misschien ?   Hoop je nu misschien dat wij je ooit gedroomde wegen verder gaan   en doen wat jij had willen doen ?   Hoop je nu misschien dat je in ons voort zult leven,   als de wereld om mensen vraagt die haar leefbaar en bewoonbaar maken.      Jouw naam, …., zal met ons meegaan.   En je hart voor mensen zullen we ons leven lang met je delen.   En je dromen hopen wij waar te maken door met jouw aandacht en    enthousiasme te werken aan een betere wereld.   Wil zo in ons midden voortleven in woorden, handen en ogen van mensen   Die met jou verbonden willen zijn.     En als je nu ergens leeft waar altijd vrede is,   weet dan dat ons hart bij je is.               Want wij zullen je nooit vergeten en je zult in ons hart blijven leven.    

55. Een laatste afscheid bij een plotselinge dood  Je hebt ons niet meer kunnen groeten.  Er was geen laatste woord, geen brief om te zeggen  dat je van ons hield of hoe wij verder moeten zonder jou voortaan.

Je stem wordt niet meer gehoord en je ogen zijn gesloten. En wat ons rest is alleen nog maar herinnering. Maar daarin zul je dan ook leven. En onvergetelijk zul je zijn, als in verhalen jouw naam wordt genoemd  en wij luisteren naar de stilte waarin jij tot ons blijft spreken.  Je blijft met ons meegaan, ons hele leven lang.   Zal er alleen maar leegte zijn als wij straks thuiskomen? Zal er alleen maar gemis zijn als onze ogen vergeefs naar je zoeken  en je stem niet meer wordt gehoord?   Of zul je meer dan ooit wonen in de wereld van ons hart  die warmer is geworden sinds jij in ons leven kwam?  En als je nu ergens leeft waar altijd vrede is,  weet dan dat ons hart met jou verbonden is,  dankbaar voor alles wat je aan ons gaf.

Teksten en gedichten bij zelfdoding

56. Het had nooit mogen gebeuren  (bij zelfdoding)  Het had nooit mogen gebeuren.  En toch gebeurde het.  Het is om te huilen  en je huilt dan ook.  Hartverscheurend.  tranen zijn   je enige expressiemogelijkheid    Maar vervolgens:  doe er iets mee.  Geef je verdriet een functie;  maak het produktief.  Laat het ergens goed voor zijn.  Verdriet –  je kunt er innerlijk door groeien.  Er wijzer van worden, menselijker.  Gevoeliger,  ook voor andermans verdriet.  En wie weet,  inspireert het je tot protest  tegen alles,  wat verdriet veroorzaakt.    

57. Gemengde gevoelens   Heen en weer geslingerd  tussen boosheid en schuldgevoel  blijven wij achter  verdrietig  vertwijfeld  onze kansen met jou  verkeken voorgoed  het waarom van jouw weggaan  nooit uitgelegd

 Ons hart verscheurd  door gemengde gevoelens.    Misschien  dat wij op een goede dag  mogen begrijpen  onze adem hervinden  onze blik verruimen  ons leven hernemen  in de troostende gedachte  dat jij vrede hebt gevonden  het verband kunt zien  en jouw plaats daarin  niet weg te denken  niet te vergeten  niet te vernietigen  door niets en niemand.    Mag je eindelijk thuiskomen  bij je diepste Zelf  Kom tot vrede  herken onze liefde.    

58. Waarom?  Je was mijn vriend,  mijn metgezel  door alles heen.  Wij deelden onze diepste vragen  dacht ik  maar jij maakte heel alleen  die gruwelijke keus en ging jouw weg  een spoor naar nergens  dat doodliep in je eenzaamheid  waar ik je niet meer vinden kon  waar ik je ook niet zoeken kon.  Je sloot je af,    mijn metgezel,  je bleef alleen.  Jij mag je eigen grenzen hebben  dacht ik  maar jij ging heel alleen  de grens naar nergens over  een spoor liep dood  in zinloze verlatenheid.  Waar jij me niet meer horen kan  waar ik je nooit meer roepen kan.  Ik mis mijn vriend,   mijn metgezel,  ik ben alleen.  Mijn liefde schoot te kort  denk ik  ik was de vriend  waarvoor jij niet meer leven kon  die jou niet meer bereiken kon. Mijn vriend is dood  mijn metgezel  door alles heen  is nu de vraag  “Waarom”    

59. Wat zouden wij nog zeggen?   Wat zouden wij nog zeggen,  nu zijzelf de stilte koos?  We zagen hoe het leven haar beukte,  hoe slag na slag  haar dieper boog.  Machteloos hoorden we,  hoe ze klaagde en vocht  met zichzelf en haar God,  tot ze brak  en niets meer geloofde.    We stonden verstomd  rond de kilte van haar eenzaamheid.  Onze liefde kon haar niet verwarmen  Ze durfde niet te vertrouwen  op de kracht van onze armen,  nu ze zelf het leven niet meer dragen kon.  Ze wilde ons beschermen voor haar pijn  en smeekte: “Laat me gaan,  ik ben zo bang, dat ik ook jullie zal belasten”.    Ze koos de donkere diepte van de dood  en liet ons achter  verward, woordeloos,  treurig-dankbaar tegelijk.  omdat haar leed voorbij is  en wij de diepe pijn van het gemis  nog even kunnen laten  in de stilte van dit laatste samenzijn.

Teksten en gedichten bij kinderen    

60. Troost is er nog niet  Voor troost is het nog te vroeg.  Er is nu geen troost.  Nu is er leegte en gemis.  Dat we het leven moeten zoeken.  Dat we aan toekomst moeten denken.  Dat nieuw leven zich aandient.  Zeg het niet te vaak.  We kunnen het nog niet horen.  Zeg maar niet zoveel.  Zoek maar geen woorden.  Maar kom maar bij ons langs.  Ga maar zitten en luister.  Eindeloos, telkens weer, alsmaar opnieuw.

 Luister naar onze verhalen.  Van de kleine……..  Hoe ze van de hond hield.  Hoe ze met hem de soepstengel deelde en at.  Hoe ze een bij probeerde te vangen.    Hoe gelukkig we met haar waren.             Ga maar zitten, luister maar.  Houd ons maar vast, wees maar stil met ons,  huil maar als je kunt.  Niemand hoeft nu groot en flink te zijn.  Luister maar en blijf maar komen,  als je wilt, als je kunt.  We weten het wel van die toekomst en het kind dat komt.  We zullen wel opstaan uit ons verdriet, langzaam,  op onze wijze, op onze tijd.  De steen zal wel omgewenteld worden.  Troost ons maar niet, maar kom maar   en reis met ons mee.  Het verdriet is te zwaar voor ons alleen.    

61. Doodgeboren kindje

Jij hebt het licht niet mogen zien, De warmte van ons beiden niet koesterend ervaren…. Was jij te broos, misschien: Het zachte zuchten van een droom die niemand kan verklaren.   En toch leef jij nog in ons midden, kind: Een vonkje vuur dat tedere liefde in ons wakker maakt. Een kus van licht die zachtjes onze zielen raakt….. Jij bent bij ons, jij blijft bemind. Jij, lieve dode, levend kind.

    62. Onmogelijk  Hoe is het mogelijk   dat een bloem breekt in de knop   dat een ster wordt uitgedoofd   dat een bron verdroogt   nog voor zij een stroom wordt ?    Hoe is het mogelijk   dat een twijgje breekt   dat een jong uit het nest valt   dat de avond valt   voor de dag is begonnen ?    Hoe is het mogelijk   dat er kinderen sterven   nog vóór zij uitgroeien ?   En toch gebeurt het.    Hoe is het in Gods Naam mogelijk ?

   Ach, het is Gods onmogelijk.  Had God niet willen leven              in alles en allen ?             Huilt God niet mee               door onze ogen ?    

63. Mannetje Regenboog  Ken je mannetje Regenboog ?  Hij is heel klein, hij woont heel hoog.  Hij woont bij zon en regen.  En nooit komt iemand hem tegen.    Maar als hij daarboven toveren gaat,             een hemelboog vol kleuren,              dan zie je toch heus dat hij bestaat,              want hoe kan dat anders gebeuren ?     Als ik dat mannetje ooit ontmoet              dan zal ik hem vragen hoe hij dat doet.    

64. Je naam  Je naam gaat van mond tot mond              gaat door de straten              blijft hangen in huizen              je echo waart rond.    Je naam als een luchtballon              zonder die draad om              je bij ons te houden             – zweeft weg naar de zon.    Je naam moet hier blijven              dus zal ik die schrijven              en altijd weer noemen.    Je naam zal ik zingen              met liefde omringen              jouw naam zal ik roemen.

Teksten en gedichten voor opa en oma

65. Gedicht voor opa/oma. Nu je van ons bent weggegaan wil ik je groeten namens alle kleinkinderen. Je bent een bijzondere plaats in ons hart en zo blijf je voor ons leven. We zullen je blijven herinneren, maar ook over je blijven praten. Zo blijf je niet alleen bij ons, maar gaat jouw leven ook verder. Onze ogen kunnen jou niet meer zien. Onze handen kunnen jou niet meer aanraken.

Maar als we in ons hart kijken, weten we dat je er nog bent. En we kunnen niet geloven dat je nergens meer bent. (Je bent weer bij opa/oma) Iemand (God) zal nu toch wel naar jou omzien, zoals jij in je leven naar anderen (ons) hebt omgezien.

66. Lieve oma. Ze zeggen dat je dood bent en dat ik nooit meer met je spelen kan. Maar hoe kun je nou dood zijn ik hou toch van jou en je hoort toch bij mij. Lief meisje als ik dood ben wil dat niet zeggen, dat ik niet meer van je hou. De liefde van je oma zal blijven doorgaan, die hoort altijd bij jou. Je had toch beloofd bij mij te blijven en nou ben je doodgegaan. Je was toch niet ziek en ook nog niet zo oud, waar ben je naar toe gegaan? Ik wilde niet weg, maar de dood nam mij mee naar een land, waar ik altijd gelukkig zal zijn. Als je aan mij denkt, dan ben ik bij jou dan ben ik bij jou